ECLI:NL:CRVB:2019:4350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als medewerker kwekerij en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe op basis van 100% arbeidsongeschiktheid, later aangepast naar 80-100%. Na bezwaar van de werkgever voerde het UWV een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 33,47%, waarna de WGA-uitkering werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische gegevens en onderzoeken geen aanwijzingen gaven dat het UWV de beperkingen had onderschat. Ook de psychische klachten waren niet geobjectiveerd en er was geen specialistische behandeling. De geselecteerde functies waren medisch geschikt voor appellante.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische klachten onvoldoende waren betrokken en vroeg zij om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat het schrijven van de fysiotherapeut geen nieuwe medische informatie bevatte en dat het medische oordeel van het UWV voldoende was gemotiveerd. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en ook de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellante wordt terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.