Uitspraak
17.6458 WAO
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2003 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na anonieme tips startte het UWV onderzoeken naar mogelijke werknemersfraude. Uit verklaringen van getuigen en Belastingdienstgegevens bleek dat appellant tussen 2012 en 2015 vrijwel fulltime als vrachtwagenchauffeur werkzaam was, ondanks zijn WAO-uitkering. Appellant ontkende de werkzaamheden en inkomsten.
Het UWV trok de WAO-uitkering over de periode februari 2012 tot mei 2015 in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de verklaringen van getuigen en de gegevens van de Belastingdienst als voldoende bewijswaarde beschouwde. Appellant stelde in hoger beroep dat het bewijs onvoldoende was en dat medische beperkingen hem verhinderden te werken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst op de strafrechtelijke veroordeling van appellant wegens uitkeringsfraude in een overlappende periode. De Raad acht het aannemelijk dat appellant werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, waardoor het UWV terecht tot intrekking en terugvordering is overgegaan. Medische stukken overtuigen niet dat appellant niet kon rijden. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden.