ECLI:NL:CRVB:2019:4336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies
Appellante, laatstelijk werkzaam als administratief en horecamedewerkster, meldde zich ziek wegens fysieke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vast op 51,08%, later verhoogd naar 68,46%, zonder wijziging in de uitkeringshoogte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd was.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over volledige arbeidsongeschiktheid en ongeschiktheid voor de geduide functies, onder meer vanwege zware depressieve klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende nieuwe of onderbouwde argumenten aanvoerde om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. Haar achtergrond en vooropleiding (MAVO-D diploma en MBO Bedrijfscommunicatie) rechtvaardigen volgens de Raad het arbeidskundig oordeel dat zij de functies kan vervullen.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag heeft en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.