ECLI:NL:CRVB:2019:4318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd en geen ongeoorloofde discriminatie
Appellant, voormalig coördinator/planner, meldde zich ziek met rugklachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV kende hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet en beëindigde dit later omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Een aanvraag voor een WIA-uitkering werd geweigerd omdat appellant de wettelijke wachttijd van 104 weken niet had volgemaakt.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar deze werd afgewezen omdat hij op dat moment niet verzekerd was voor de Wet WIA. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant in hoger beroep betwistte met het argument dat artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA tot ongeoorloofde discriminatie leidt.
De Raad oordeelde dat de wachttijd niet was voltooid en dat de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber) niet van toepassing is. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake is van ongeoorloofde ongelijke behandeling tussen vangnetters en niet-vangnetters. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag voor een WIA-uitkering wordt geweigerd wegens niet volgemaakte wachttijd.