ECLI:NL:CRVB:2019:4308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerker huishouding, meldde zich in 2011 ziek na een auto-ongeluk met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde in 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Na een nieuwe ziekmelding in 2015 kende het UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar beëindigde deze in 2016 opnieuw wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderzoeken als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beschouwden. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen waren onderschat en verzocht om benoeming van deskundigen.
De Raad benoemde een neuroloog en een psychiater die onafhankelijk onderzoek deden. De neuroloog concludeerde dat appellante in 2013 was hersteld van een hernia en dat de rugklachten geen beperkingen rechtvaardigden. De psychiater stelde vast dat er sprake was van een aanpassingsstoornis met sombere stemming, waarvoor de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in 2017 werd aangepast.
De arbeidsdeskundige beoordeelde dat de voorbeeldfuncties passend waren ondanks de beperkingen. De Raad volgde de deskundigen en concludeerde dat appellante per 31 oktober 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de intrekking van de WIA-uitkering terecht was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering per 31 oktober 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.