ECLI:NL:CRVB:2019:4297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemeld bezit van voertuigen en onduidelijke financiering
Appellant had in de periode 2016 twee auto's, een Audi en een BMW, op zijn naam staan zonder dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Het college trok daarom de bijstand met ingang van 7 februari 2017 in en vorderde de kosten van bijstand terug.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat de auto's niet tot zijn vermogen behoorden. De schriftelijke verklaringen van zijn vader en zus en de bankafschriften waren onvoldoende om te bewijzen dat de auto's van hen waren of dat de financiering anders was geregeld.
In hoger beroep voerde appellant geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Raad benadrukte dat het enkel stellen dat de waarde van de auto's lager zou zijn dan de gehanteerde gemiddelde waarde niet volstaat om de financiering te verhelderen.
Daarom blijft de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand. Het hoger beroep wordt verworpen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering blijven in stand wegens niet gemeld bezit van auto's en onvoldoende inzicht in financiering.