ECLI:NL:CRVB:2019:4270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator verpakkingen, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,64%, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was bij het einde van de wachttijd. Appellant stelde in bezwaar en beroep dat hij minder belastbaar was dan vastgesteld en besteedde dagelijks 6 tot 8 uur aan medische verzorging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de medische beoordeling deugdelijk had gemotiveerd en dat de geduide functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 november 2014 passend was, met een maximale belastbaarheid van 4 uren per dag en 20 uren per week.
De Raad volgde de deskundige en de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage had vastgesteld. De conclusies van het deskundigenrapport waren zorgvuldig, inzichtelijk en consistent, en partijen bestreden deze niet. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.