ECLI:NL:CRVB:2019:4267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende medisch onderzoek en arbeidsgeschiktheid
Appellant was werkzaam als hovenier/medewerker groenvoorziening en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per 20 maart 2017 geschikt was voor zijn arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de beperkingen onvoldoende objectief waren onderbouwd en psychische klachten niet aannemelijk waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld, zijn beperkingen zwaarder waren en dat zijn werk zwaarder was dan aangenomen, met name vanwege torderen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij zowel lichamelijke als psychische aspecten waren betrokken. De aanvullende medische informatie in hoger beroep, waaronder een brief van de fysiotherapeut en verklaringen van specialisten, bracht geen ander oordeel.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij ongeschikt was voor zijn functie, mede omdat de belastingen die appellant niet kon verdragen niet voorkwamen in zijn functie. Psychische klachten waren niet aantoonbaar aanwezig op de relevante datum. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.