ECLI:NL:CRVB:2019:4234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berisping en inhouding kwart maandsalaris wegens plichtsverzuim ambtenaar
Appellante, werkzaam als medewerker behandelen en ontwikkelen, kreeg op 30 november 2015 een berisping opgelegd wegens plichtsverzuim door het niet correct melden van ziekte en verlof op 23 en 24 september 2015. Later, op 23 maart 2017, werd een inhouding van een kwart maandsalaris opgelegd wegens plichtsverzuim na ongeoorloofde afwezigheid op 23 januari 2017, ondanks het advies van de bedrijfsarts om werkzaamheden te hervatten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze disciplinaire maatregelen ongegrond en wees verzoeken om uitstel af, mede omdat appellante niet met medische stukken haar onvermogen tot het voeren van het woord onderbouwde en het procesverloop verstoorde door contact met raadslieden te verbreken. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen getuigen heeft gehoord en de verzoeken om uitstel correct heeft beoordeeld.
Appellante voerde aan dat zij zich wel ziek had gemeld bij een andere leidinggevende en dat zij op 23 januari 2017 terecht afwezig was wegens ziekte. De Raad verwierp deze gronden omdat de ziekmelding niet volgens de voorgeschreven procedure was gedaan en het advies van de bedrijfsarts van 19 januari 2017 het hervatten van werkzaamheden inclusief revalidatie-uren toestond. De Raad vond de opgelegde straffen proportioneel gezien het herhaaldelijke plichtsverzuim.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de berisping en inhouding van een kwart maandsalaris wegens plichtsverzuim.