Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:4199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
19 december 2019
Zaaknummer
18/403 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens voltijdse studie en niet-beschikbaarheid voor arbeid

Appellant was sinds 12 april 2007 werkzaam in de kassenbeglazing en vroeg op 6 maart 2016 een WW-uitkering aan na het beëindigen van zijn dienstverband. Het UWV kende hem met ingang van 1 april 2016 een WW-uitkering toe. Op 1 september 2016 begon appellant een voltijdse HBO-BA B Civiele Techniek opleiding, welke hij niet aan het UWV meldde.

Het UWV ontdekte dit en trok de WW-uitkering over de periode van 1 september tot en met 30 november 2016 in, vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug en legde een boete op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt beschikbaar te zijn voor arbeid tijdens zijn studie.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over beschikbaarheid en sollicitaties, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de voltijdse studie de beschikbaarheid voor arbeid uitsloot. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

18.403 WW

Datum uitspraak: 19 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2017, 17/6470 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is vanaf 12 april 2007 voor 38 uur per week werkzaam geweest in de kassenbeglazing.
1.2.
Na het einde van zijn dienstverband heeft appellant op 6 maart 2016 het Uwv gevraagd om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.3.
Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 april 2016 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsurenverlies van 38 uur per week.
1.4.
Op 1 september 2016 is appellant gestart met de voltijdse dagopleiding HBO-BA B Civiele Techniek aan de [naam school]. Bij brief van 12/16 januari 2017 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat uit controle is gebleken dat hij niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 30 november 2016 een voltijdse studie heeft gevolgd, waardoor te veel WW-uitkering is betaald.
1.5.
Bij besluit van 13 februari 2017 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 september 2016 tot en met 30 november 2016 ingetrokken en de over die periode onverschuldigd betaalde uitkering ter hoogte van € 6.745,44 van appellant teruggevorderd. Tevens is een boete opgelegd van € 3.372,72.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 13 februari 2017 ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant niet heeft gemeld dat hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 30 november 2016 een voltijdse studie heeft gevolgd. Door het volgen van die studie had appellant geen recht op een WW-uitkering, omdat hij daardoor niet beschikbaar was voor arbeid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, omdat appellant een voltijdse dagopleiding volgde, de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 30 november 2016 niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, tenzij aan zijn houding en gedrag aanwijzingen kunnen worden ontleend die de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Appellant is er niet in geslaagd de juistheid van de vooronderstelling van niet-beschikbaarheid aan te tasten. Dat hij naast zijn voltijdse opleiding een fulltime baan zou hebben geaccepteerd indien hij die zou hebben gevonden, heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verder is, anders dan appellant stelt, niet gebleken dat hij volop heeft gesolliciteerd naar voor hem geschikte functies. Voorts heeft appellant in strijd met zijn informatieverplichting geen uitdrukkelijk overleg met het Uwv gevoerd dan wel melding gemaakt van de daadwerkelijke inschrijving voor de door hem gevolgde opleiding. Ten aanzien van de psychische problematiek waarmee appellant ten tijde van de besluitvorming van het Uwv te kampen had heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen wegens ziekte, zodat ook zijn psychische situatie in het kader van de beschikbaarheid voor arbeid niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het Uwv heeft dan ook terecht de aan appellant betaalde WW-uitkering teruggevorderd, omdat hij niet werkloos was doordat hij studeerde en ten gevolge daarvan niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het volgen van een studie in de weg stond aan het aanvaarden van arbeid. Appellant was tijdens zijn studie beschikbaar om arbeid te aanvaarden, wat blijkt uit de door hem verrichte sollicitaties. Dat appellant een afspraak met het Uwv wilde verzetten omdat die conflicteerde met zijn studierooster betekent niet dat hij niet beschikbaar was.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en sub b, van de WW wordt werkloos de werknemer die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant per 1 september 2016 aan een voltijdse hbo-opleiding is begonnen en dat appellant dit niet aan het Uwv heeft gemeld. In geschil is of appellant in de periode van 1 september 2016 tot en met 30 november 2016 beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden bij de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank hierover en de overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden volledig onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.
4.4.
Wat in 4.2 en 4.3 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) C.M. van de Ven