ECLI:NL:CRVB:2019:4199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens voltijdse studie en niet-beschikbaarheid voor arbeid
Appellant was sinds 12 april 2007 werkzaam in de kassenbeglazing en vroeg op 6 maart 2016 een WW-uitkering aan na het beëindigen van zijn dienstverband. Het UWV kende hem met ingang van 1 april 2016 een WW-uitkering toe. Op 1 september 2016 begon appellant een voltijdse HBO-BA B Civiele Techniek opleiding, welke hij niet aan het UWV meldde.
Het UWV ontdekte dit en trok de WW-uitkering over de periode van 1 september tot en met 30 november 2016 in, vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug en legde een boete op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet aannemelijk had gemaakt beschikbaar te zijn voor arbeid tijdens zijn studie.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over beschikbaarheid en sollicitaties, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de voltijdse studie de beschikbaarheid voor arbeid uitsloot. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.