ECLI:NL:CRVB:2019:4167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks ontwikkelingsstoornis
Appellante, geboren in 1982, ontvangt sinds 2000 een Wajong-uitkering vanwege een ontwikkelingsstoornis met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV in 2016 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen bezit, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de indicatiebesluiten van het CIZ en andere zorgdocumenten niet aantonen dat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over haar ernstige handicap en de noodzaak van dag en nacht begeleiding. Zij voerde aan dat het medisch onderzoek ondeugdelijk was en dat zij de voorbeeldtaken zoals was vouwen niet kan uitvoeren. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellante arbeidsvermogen heeft.
De Raad overwoog dat de rechtbank de beroepsgronden afdoende heeft gemotiveerd en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het UWV. Uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek blijkt dat appellante met begeleiding in staat is tot eenvoudige werkzaamheden, zoals huishoudelijke taken in de thuissituatie. Haar arbeidsmogelijkheden zijn niet verslechterd sinds het beëindigen van haar Wsw-dienstverband. De Raad bevestigt daarom de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018.