ECLI:NL:CRVB:2019:4141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en vaststelling terugvordering WW-uitkering met gedeeltelijke vermindering
Appellante ontving een WW-uitkering die door het UWV werd herzien over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 augustus 2015. Het UWV stelde een terugvordering vast van €1.286,94 bruto, waartegen appellante bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens het hoger beroep werd het geschil beperkt tot de vraag of het terugvorderingsbedrag correct was vastgesteld. Het UWV baseerde zich op de toepasselijkheid van artikel 20, lid 6, onder b, in samenhang met artikel 35aa van de WW, waardoor slechts 70% van het inkomen in mindering mocht worden gebracht op de WW-uitkering vanaf het moment dat appellante weer ging werken.
De Raad volgde het UWV in deze berekening, maar stelde vast dat het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag te hoog was vastgesteld. Het verzoek van appellante tot kwijtschelding werd afgewezen omdat dit geen onderdeel van het bestreden besluit was. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde het terugvorderingsbedrag vast op €658,49 bruto. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op €658,49 bruto en het bestreden besluit wordt vernietigd.