ECLI:NL:CRVB:2019:4133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over geschiktheid voor eigen werk na ziekte
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster WSW en meldde zich op 18 februari 2015 ziek met fysieke en psychische klachten. Haar dienstverband eindigde op 1 juli 2015. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 22 februari 2016 na een beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die haar geschikt achtten voor haar eigen werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de toelating tot de WSW-doelgroep niet automatisch betekent dat zij arbeidsongeschikt is. In hoger beroep voerde appellante aan ongeschikt te zijn en stelde dat het rechtszekerheidsbeginsel was geschonden door wisselende beoordelingen.
De Centrale Raad oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het UWV voldoende rekening had gehouden met haar beperkingen. De Raad onderschreef de rechtbank en verwierp het beroep, omdat appellante geen nieuwe medische informatie had overgelegd en de arbeidsdeskundige had aangetoond dat haar belastbaarheid binnen de functie-eisen viel.
De Raad bevestigde dat de criteria voor WSW-beoordeling verschillen van die voor arbeidsongeschiktheid en dat het UWV op goede gronden heeft beslist dat appellante geschikt is voor haar eigen werk vanaf 22 februari 2016. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante geschikt is voor haar eigen werk wordt bevestigd.