Uitspraak
18.5041 AW
OVERWEGINGEN
14 januari 2016 heeft ingezien en waarover zij een verklaring heeft afgelegd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2000 werkzaam bij de gemeente, laatstelijk als beoordelaar van bijzondere bijstand. Naar aanleiding van een proces-verbaal ontstonden vermoedens van integriteitsschending, waarna een onderzoek volgde en zij werd geschorst. Het onderzoek concludeerde meerdere gedragingen die het vertrouwen en de integriteit van de functie aantasten, waaronder het niet melden van privérelaties met cliënten en het raadplegen van cliëntgegevens zonder zakelijke reden.
Het college legde op grond van deze gedragingen onvoorwaardelijk ontslag op, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep betoogde appellante dat haar persoonlijke omstandigheden, waaronder bedreigingen door een cliënt, en haar goede staat van dienst onvoldoende waren meegewogen bij de strafoplegging.
De Raad oordeelde dat de ernst van het plichtsverzuim en de eisen van integriteit en betrouwbaarheid zwaarder wegen dan deze omstandigheden. Appellante had meerdere kansen gehad om de situatie te melden, maar hield dit te lang voor zich, waardoor een eerdere oplossing werd belemmerd. Het hoger beroep werd verworpen en het ontslag bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.