ECLI:NL:CRVB:2019:4057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor doorbetaling woonlasten tijdens detentie bevestigd
Appellant, woonachtig in een contingentwoning bestemd voor woonbegeleiding, werd op 3 oktober 2016 gedetineerd vanwege een in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf. Hij vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Participatiewet voor de doorbetaling van zijn woonlasten tijdens detentie. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit op 1 juni 2017.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant geen recht had op bijzondere bijstand op grond van artikel 13 van Pro de Participatiewet, tenzij sprake was van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16. Een dergelijke situatie werd niet vastgesteld. Het college hanteert een buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij bijzondere bijstand kan worden verleend als de detentieperiode niet langer dan zes maanden duurt. Appellant zat echter langer vast, waardoor het beleid juist en consistent werd toegepast.
Appellant voerde aan dat het college het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel had geschonden, onder meer door het niet consistent toepassen van het beleid en het ontbreken van een toezegging omtrent doorbetaling van woonlasten. Deze stellingen werden door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Ook in hoger beroep slaagde appellant er niet in deze gronden aannemelijk te maken. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en liet de afwijzing van de bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor doorbetaling van woonlasten tijdens detentie wordt bevestigd.