ECLI:NL:CRVB:2019:3979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens
In deze zaak stond de intrekking en terugvordering van bijstand centraal vanwege het beschikken over vermogen boven de vastgestelde vermogensgrens in de periode van 7 juli 2017 tot en met 28 juli 2017. Appellanten voerden aan dat zij schulden hadden die het vermogen onder de vrij te laten grens brachten, maar konden dit niet aannemelijk maken.
De Raad overwoog dat schulden alleen in aanmerking worden genomen als zij bestaan, tijdens de bijstand opeisbaar zijn en een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting betreffen. De overgelegde schuldverklaring voldeed hier niet aan, mede omdat niet duidelijk was op welke schuld deze betrekking had. Ook het feit dat een deel van een schuld was terugbetaald en een restant later zou worden betaald, bood geen voldoende grond.
Appellanten stelden ook dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen. De Raad oordeelde dat dit niet het geval was, omdat de situatie niet uitzonderlijk was en appellanten bovendien bescherming genieten van de beslagvrije voet.
Gelet op het ontbreken van aannemelijkheid van de schulden en het ontbreken van dringende redenen, bevestigde de Raad de intrekking en terugvordering van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt bevestigd.