Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3979

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
11 december 2019
Zaaknummer
18-3810 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens

In deze zaak stond de intrekking en terugvordering van bijstand centraal vanwege het beschikken over vermogen boven de vastgestelde vermogensgrens in de periode van 7 juli 2017 tot en met 28 juli 2017. Appellanten voerden aan dat zij schulden hadden die het vermogen onder de vrij te laten grens brachten, maar konden dit niet aannemelijk maken.

De Raad overwoog dat schulden alleen in aanmerking worden genomen als zij bestaan, tijdens de bijstand opeisbaar zijn en een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting betreffen. De overgelegde schuldverklaring voldeed hier niet aan, mede omdat niet duidelijk was op welke schuld deze betrekking had. Ook het feit dat een deel van een schuld was terugbetaald en een restant later zou worden betaald, bood geen voldoende grond.

Appellanten stelden ook dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen. De Raad oordeelde dat dit niet het geval was, omdat de situatie niet uitzonderlijk was en appellanten bovendien bescherming genieten van de beslagvrije voet.

Gelet op het ontbreken van aannemelijkheid van de schulden en het ontbreken van dringende redenen, bevestigde de Raad de intrekking en terugvordering van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt bevestigd.

Uitspraak

18.3810 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2018, 18/331 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (het dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 3 december 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: V.Y. van Almelo
Namens appellanten is mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat, verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.M. van der Meij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten beschikten over vermogen boven de grens van het bij aanvang vastgestelde vrij te laten vermogen. De te beoordelen periode is gelet op het verhandelde ter zitting beperkt tot de periode van 7 juli 2017 tot en met 28 juli 2017.
Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode beschikten over vermogen boven het vrij te laten vermogen. Zij stellen echter dat tegenover dat vermogen schulden staan die zij gedurende de bijstand hebben gemaakt. Worden die schulden in aanmerking genomen, dan komt het vermogen onder het vrij te laten vermogen.
Deze grond slaagt niet. Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening opeisbaar zijn en dat sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Zoals gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft geantwoord, blijkt uit de overgelegde schuldverklaring niet van een concrete terugbetalingsverplichting. Dat er op 15 juni 2017 een bedrag van € 5000,- is terugbetaald aan één van de schuldeisers en in de daarvan opgemaakte verklaring staat dat op 30 december 2017 een restant bedrag moet worden betaald, maakt het voorgaande niet anders. Dat is alleen al het geval omdat niet uit de verklaring blijkt op welke schuld die verklaring betrekking heeft.
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Dan moet er sprake zijn van onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering en het moet daarbij gaan om individuele gevallen waarin iets uitzonderlijks aan de hand is. Hierbij moet een individuele afweging plaatsvinden van alle relevante feiten en omstandigheden. De aangevoerde omstandigheid dat de appellanten al lange tijd geen bijstand ontvangen hebben, is niet het gevolg van de terugvordering maar het gevolg van de intrekking. Dit levert geen dringende redenen op om van terugvordering af te zien. Bovendien genieten appellanten bij invordering bescherming van de beslagvrije voet. Ook deze grond slaagt daarom niet.
Omdat de aangevoerde gronden niet slagen, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in dat geval geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) P.W. van Straalen