Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3958

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2019
Publicatiedatum
10 december 2019
Zaaknummer
19/2443 AW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening dienstongeval ambtenaar

Verzoekster raakte op 26 mei 2005 tijdens verplichte dienstsport gewond aan haar linkerknie door een ongeluk met een collega, wat als dienstongeval werd aangemerkt. De minister van Justitie en Veiligheid weigerde aansprakelijkheid te erkennen voor de schade, een besluit dat door de Raad in 2013 werd bevestigd. De Raad concludeerde dat de werkgever aan zijn zorgplicht had voldaan en het ongeval het gevolg was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Verzoekster diende een derde verzoek tot herziening in, stellende dat een gebrek in de medische keuring voor haar functie als PIW-er de oorzaak was van het ongeval en dat de werkgever daardoor zijn zorgplicht niet had nageleefd. De Raad toetste dit verzoek aan de criteria van artikel 8:119 Awb Pro, waarbij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden, een grond voor herziening kunnen vormen.

De Raad oordeelde dat, zelfs indien de nieuwe feiten of omstandigheden vóór de uitspraak van 2013 hadden plaatsgevonden en niet bekend waren, deze niet tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Het ongeval bleef een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet het gevolg van de medische gesteldheid van verzoekster. De Raad benadrukte dat herziening niet dient om een hernieuwde discussie over de uitspraak te voeren zonder nieuwe feiten. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om herziening is afgewezen omdat het dienstongeval het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet van de medische gesteldheid van verzoekster.

Uitspraak

19.2443 AW-PV

Datum uitspraak: 2 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)
Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R.I.S. van Haaren
Verzoekster is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.M. Koene en P.C.A. van Breugel.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Verzoekster is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport ongelukkig in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. Het ongeval is aangemerkt als een dienstongeval. Bij besluit van 25 mei 2010, gehandhaafd bij besluit van 16 december 2010, heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die verzoekster dientengevolge heeft geleden.
De Raad heeft bij uitspraak van 17 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2185, waarvan herziening wordt gevraagd, de uitspraak van de rechtbank ter zake het besluit van 16 december 2010 bevestigd. De Raad heeft met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan, en is evenals de rechtbank tot de conclusie gekomen dat in het geval van verzoekster veeleer sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
Verzoekster heeft aan haar (derde) verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat er een gebrek kleeft aan de medische keuring voor de functie van PIW-er. Door dit gebrek heeft de werkgever niet aan zijn zorgplicht voldaan, aldus verzoekster.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De Raad is van oordeel dat, voor zover al sprake zou zijn van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak van 17 oktober 2013 hebben plaatsgevonden en bij verzoekster vóór deze uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, die feiten of omstandigheden, waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden, nu het dienstongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet is veroorzaakt door de medische gesteldheid van verzoekster. Ten aanzien van dit derde verzoek om herziening benadrukt de Raad
opnieuw - en ditmaal met klem - dat volgens zijn vaste rechtspraak het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe dient om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) C.H. Bangma