ECLI:NL:CRVB:2019:3948

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 december 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
18/727 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:13 AwbArt. 31 ParticipatiewetArt. 32 Participatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens inkomen uit stortingen en bijschrijvingen

In deze zaak stond de herziening en intrekking van bijstand over meerdere maanden in 2015 en 2016 centraal, vanwege stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellante. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer had vastgesteld dat appellante in deze periode inkomsten had genoten die in aanmerking moesten worden genomen bij de bijstandsverlening.

Appellante voerde aan dat het advies van de adviescommissie niet onafhankelijk was omdat de secretaris ook jurist bij het college was, en dat zij ten onrechte niet opnieuw is gehoord na het indienen van e-mailberichten. Deze bezwaren werden verworpen omdat de voorzitter van de adviescommissie onafhankelijk was en de e-mails geen nieuwe relevante informatie bevatten.

Verder stelde appellante dat het ging om leningen van haar ouders en niet om inkomen. De Raad oordeelde dat stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van een bijstandsontvanger in principe als middelen en inkomen worden beschouwd, ook als het leningen betreft. De mogelijkheid tot vrijelijk beschikken over deze gelden en het feit dat zij deze voor haar levensonderhoud heeft gebruikt, maakte dat deze gelden als inkomen moesten worden aangemerkt.

Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomen zijn aangemerkt en de bijstand terecht is teruggevorderd.

Uitspraak

18.727 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2017, 17/6264 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 3 december 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: I.A. Siskina
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.C. van Aller.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak gaat om een herziening en intrekking van bijstand over meerdere maanden in 2015 en 2016 in verband met stortingen en bijschrijvingen op de rekening van appellante. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante in de betreffende maanden inkomsten heeft genoten die in aanmerking moeten worden genomen.
Allereerst voert appellante aan dat de secretaris van de adviescommissie ook als jurist betrokken was bij de procedure. Hierdoor zou er geen sprake zijn van een onafhankelijk advies. Deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat de secretaris van de adviescommissie werkzaam is bij het college, mits de voorzitter maar onafhankelijk is. Het feit dat de secretaris werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college is niet in strijd met artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellante voert voorts aan dat ze ten onrechte niet een tweede keer door de adviescommissie is gehoord nadat zij, na de eerste hoorzitting, enkele e-mailberichten had ingestuurd. Ook die grond slaagt niet. Zoals ook in het bestreden besluit tot uitdrukking komt, werpen de e‑mailberichten geen nader licht op de zaak. Het zijn dus geen stukken die van (aanmerkelijk) belang zijn geweest bij de besluitvorming. Om die reden hoefde de adviescommissie daarin geen aanleiding te zien appellante opnieuw te horen.
Appellante betwist tot slot dat er sprake is van in aanmerking te nemen middelen. Het gaat om leningen die zij van haar ouders heeft ontvangen omdat zij destijds van haar partner geen alimentatie ontving. Omdat zij daarop wel aanspraak had, werd de alimentatie op de bijstandsuitkering gekort. Ook deze grond slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van de bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW) worden beschouwd. Als betalingen een periodiek karakter hebben en door betrokkenen kunnen worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten die zien op de periode waarin beroep op de bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van Pro de PW. Het gaat om een periode waarin aanspraak op bijstand bestond. Appellante kon feitelijk over de ontvangen gelden beschikken en deze aanwenden voor haar levensonderhoud. Zij heeft dat ook gedaan.
De stelling van appellante dat sprake is van geleende bedragen die terug moeten worden betaald aan de ouders leidt niet tot het oordeel dat geen sprake is van in aanmerking te nemen middelen. Daarvoor is allereerst van belang dat leningen niet uitgezonderd zijn van het middelenbegrip in artikel 31, tweede lid van de PW. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm die worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van die bijstandsontvanger kan worden aangemerkt. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast toeneemt is in dit geval niet van belang. Dat geldt ook voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, dan wel de reden waarom appellante de lening is aangegaan. Met betrekking tot degene die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, kan mogelijk anders worden geoordeeld. Die situatie doet zich hier echter niet voor.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dat geval geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I.A. Siskina (getekend) P.W. van Straalen