ECLI:NL:CRVB:2019:3946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet overleggen bankafschriften
Appellante ontving sinds april 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Tijdens een heronderzoek constateerde het college dat appellante meer bankrekeningen had dan opgegeven en verzocht om bankafschriften van meerdere rekeningen. Appellante legde deze niet over en verscheen niet op een tweede gesprek. Het college schortte de bijstand op en trok deze later met terugwerkende kracht in vanwege schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist van het bestaan van de rekeningen vanwege een faillissement en dat sommige rekeningen eerder waren besproken. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren onderbouwd en dat appellante de gevraagde bankafschriften niet had overgelegd.
De Raad stelde dat het niet naleven van de inlichtingenverplichting een geldige grond is voor intrekking van bijstand als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante faalde erin aannemelijk te maken dat zij recht had op bijstand. Tegen de terugvordering werden geen zelfstandige gronden aangevoerd. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet overleggen van bankafschriften.