ECLI:NL:CRVB:2019:3899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit geen recht op WIA-uitkering ondanks aangepaste arbeidsmogelijkheden
Appellant, werkzaam als pedagogisch medewerker, meldde zich ziek vanwege psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
In eerste aanleg werd het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep bracht appellant een nieuw expertiserapport in met een aangepaste FML, waarin een extra beperking in zelfstandig handelen werd opgenomen. Het UWV handhaafde het standpunt dat geen recht op uitkering bestond, onderbouwd met aanvullende medische en arbeidsdeskundige rapporten.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd volgens artikel 7:12 Awb Pro, maar dat deze motiveringsgebrek niet tot benadeling van appellant leidde, zodat het besluit in stand kon blijven. De aangevallen uitspraak werd bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.