ECLI:NL:CRVB:2019:3881

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
17/7267 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaars beoordeling

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met klachten aan haar linkerschouder, arm en hand. Het UWV kende haar aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) waarbij medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond, besloot het UWV de ZW-uitkering te beëindigen omdat appellante meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen met andere functies dan haar oude werk.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg oordeelde eveneens dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de conclusie dat appellante geschikt was voor andere functies juist was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar dagverhaal.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de gronden van appellante een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die de eerdere conclusies konden weerleggen. De Raad onderschreef de eerdere oordelen en vond geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

17.7267 ZW

Datum uitspraak: 4 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
23 oktober 2017, 16/2926 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 21,06 uur per week. Op 24 februari 2014 heeft zij zich ziek gemeld met pijnklachten aan de linkerschouder, -arm en -hand. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 18 maart 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 februari 2015 de ZW-uitkering van appellante per 24 maart 2015 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als schoonmaakster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.
1.3.
Het Uwv heeft appellante per 24 maart 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 29 mei 2015 opnieuw ziek gemeld met toegenomen pijnklachten aan de linkerschouder en hemorroïden. In verband hiermee heeft zij op 28 april 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst en appellante na beoordeling door een arbeidsdeskundige per 30 mei 2016 geschikt geacht voor een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functie van samensteller elektrotechnische apparatuur. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 mei 2016 de
ZW-uitkering van appellante per 30 mei 2016 beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 augustus 2016ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest, waarbij geen medische aspecten over het hoofd zijn gezien. De rechtbank heeft het medisch standpunt van het Uwv uitgebreid gemotiveerd geacht, waarbij kenbaar rekening is gehouden met het dagverhaal van appellante. In de informatie van de huisarts van 6 augustus 2017, die appellante heeft ingebracht, heeft de rechtbank geen aanleiding aanwezig gezien om de juistheid van conclusies van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en volledig is geweest. De psychische klachten zijn volgens appellante onderbelicht gebleven en aan de verklaring van de huisarts is onvoldoende waarde toegekend. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met het dagverhaal van appellante en ten onrechte geconcludeerd dat zij in staat is om te werken. Appellante heeft de Raad hierbij verzocht om een deskundige in te schakelen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.3.
Daaraan wordt toegevoegd de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat de psychische klachten op de datum in geding nog niet aan de orde waren en om die reden buiten beschouwing zijn gelaten. Appellante heeft in hoger beroep geen medisch objectieve gegevens overgelegd die haar stelling kunnen onderbouwen dat zij op de datum in geding niet geschikt was voor de functie van samensteller elektrotechnische apparatuur. Omdat geen aanleiding aanwezig is om de juistheid van het standpunt van het Uwv in twijfel te trekken, wordt geen deskundige ingeschakeld.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) M.A.E. Lageweg