Uitspraak
17.3610 WIA
5 april 2017, 16/2421 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als adviseur voor 24 uur per week, meldde zich ziek op 11 maart 2013. Het UWV stelde bij besluit van 10 september 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Na bezwaar werd de arbeidsongeschiktheid op 39,63% vastgesteld en een WGA-vervolguitkering toegekend per 9 maart 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was en geen onjuist beeld van zijn gezondheidstoestand bestond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief dossierstudie, spreekuur en overleg tussen artsen. Appellant had niet duidelijk gemaakt wat aanvullend onderzoek noodzakelijk maakte en had ervoor gekozen niet bij de hoorzitting aanwezig te zijn. De klachten over blaas en oorsuizen waren niet onderbouwd met medische gegevens. Er was geen reden voor benoeming van een deskundige.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanwege een zorgvuldig medisch onderzoek.