ECLI:NL:CRVB:2019:3874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid maatgevende arbeid volgens Wet WIA
Appellante viel op 16 oktober 2012 uit wegens buik- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op 5 november 2014 vast dat zij geen recht had op een uitkering, omdat zij geschikt werd geacht voor de maatgevende arbeid op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 augustus 2014. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij geen benutbare mogelijkheden had. De Raad benoemde een verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat er meer beperkingen waren dan eerder aangenomen, waaronder beperkingen door carpaal tunnelsyndroom en zitmogelijkheden. De FML werd daarop aangepast, maar de arbeidsdeskundige bleef van oordeel dat appellante geschikt was voor de maatgevende arbeid.
Appellante verzocht om aanvullend onderzoek naar haar huidige medische situatie, maar de Raad oordeelde dat dit niet noodzakelijk was voor de beoordeling van haar belastbaarheid op de datum in geschil. De Raad bevestigde het oordeel dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid en wees het hoger beroep af. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante vanwege een gebrek in de besluitvorming.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante is geschikt voor de maatgevende arbeid volgens de aangepaste FML.