ECLI:NL:CRVB:2019:387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget door zorgkantoor
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2013, dat later door het zorgkantoor lager werd vastgesteld wegens onvoldoende verantwoording van de besteding. Het zorgkantoor stelde dat zorgverlener geen zorg had verleend en dat betalingen aan appellants moeder niet aannemelijk waren gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de zorg wel was verleend en dat betalingen aan de verkeerde instantie waren gedaan, maar dat het pgb correct was besteed. De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de verplichtingen van de Regeling subsidies AWBZ en dat het zorgkantoor daarom bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De Raad benadrukte dat de verantwoording van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde is, ook als de administratie aan een derde is overgelaten.
De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de zorg daadwerkelijk was verleend en betaald. Betalingen aan appellants moeder waren niet overtuigend verantwoord en zorgverlener had geen zorg geleverd. De Raad concludeerde dat het zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en het teveel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb door het zorgkantoor bevestigd.