Uitspraak
18.6361 MAW, 18/6363 MAW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, militair bij de Koninklijke Marechaussee, was wegens ziekte vanaf 26 september 2011 grotendeels arbeidsongeschikt. De staatssecretaris verlaagde zijn bezoldiging tot 70% op grond van artikel 17 IBM Pro, omdat de slaapklachten en vermoeidheid niet in overwegende mate door de werkzaamheden werden veroorzaakt. Appellant voerde aan dat zijn klachten wel door ploegendiensten werden veroorzaakt en dat hij recht had op volledige bezoldiging.
Een bindend medisch onderzoek door dr. Hamburger concludeerde dat appellant een intrinsieke chronobiologische stoornis heeft die de klachten verklaart, waarbij ploegendiensten een uitlokkende factor zijn maar niet de hoofdoorzaak. De rechtbank oordeelde dat de loonskorting terecht was toegepast en dat de staatssecretaris voldoende re-integratie-inspanningen had verricht, ondanks een loonsanctie van het UWV.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad deze beoordeling. De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende concrete gegevens had om het causaal verband tussen werkzaamheden en klachten te onderbouwen. Ook was het ontslag wegens blijvende ongeschiktheid op grond van het AMAR rechtmatig. Het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd afgewezen omdat geen termijnoverschrijding was vastgesteld.
Uitkomst: De loonskorting blijft van kracht, het ontslag is rechtmatig en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.