ECLI:NL:CRVB:2019:3725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met lichamelijke en geestelijke klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name psychische klachten en obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), onvoldoende waren erkend en dat een psychiater had moeten worden ingeschakeld. Tevens stelde hij dat de urenbeperking te beperkt was vastgesteld en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Raad stelde vast dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij zowel psychische als lichamelijke beperkingen in acht waren genomen. Het door appellant overgelegde rapport bevestigde de bevindingen van de verzekeringsartsen en gaf geen aanleiding tot een andere beoordeling.
De Raad concludeerde dat appellant in staat wordt geacht meer dan 65% van zijn loon te verdienen en dat het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank terecht zijn. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld vervalt.