ECLI:NL:CRVB:2019:3718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WIA-uitkering bij 60,46% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich op 10 augustus 2012 arbeidsongeschikt gemeld en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na melding van verslechtering van zijn gezondheid per juni 2015, stelde het UWV bij besluit vast dat zijn arbeidsongeschiktheid 60,46% bedraagt en handhaafde dit percentage bij bezwaar. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij een deskundige internist en een verzekeringsarts het medisch onderzoek en de beperkingen bevestigden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met aanvullende medische rapporten en klachten, waaronder de mogelijke aanwezigheid van het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig was en dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige gevolgd moest worden. De Raad bevestigde dat de medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies adequaat waren vastgesteld.
De Raad stelde vast dat het stellen van een diagnose, zoals QVS, niet bepalend is voor het aannemen van beperkingen en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat geen verdergaande beperkingen aanwezig waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet bij een arbeidsongeschiktheid van 60,46%.