Uitspraak
18 1993 PW
PROCESVERLOOP
mr. I. van Driel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die een koeriersbedrijf exploiteerde, vroeg bijstand aan na beëindiging van zijn onderneming en wijziging van zijn financiële situatie door echtscheiding. Hij verklaarde geen inkomsten meer te hebben en leefde van leningen van vrienden.
De gemeente stelde vragen over de herkomst van stortingen op zijn bankrekening en contante opnames. Appellant gaf verklaringen van vrienden en stelde dat hij leasecontracten had afgelost en bedrijfsauto's had verkocht, maar kon niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwen waar het geld vandaan kwam of waar het aan besteed was.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht en onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie. Daarom kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende objectieve onderbouwing van de herkomst van stortingen en verkoopopbrengsten.