Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:364

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2019
Publicatiedatum
6 februari 2019
Zaaknummer
17/1119 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 17 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft in 2005 een WAO-uitkering aangevraagd die in 2006 werd afgewezen omdat niet was gebleken dat hij tijdens een verzekerde periode arbeidsongeschikt was geworden. In een eerdere uitspraak in 2012 bevestigde de Raad dat appellant niet verzekerd was ten tijde van zijn ziekmelding in 1997 en dat hij geen aanspraak kon maken op WAO.

In 2016 diende appellant een herhaalde aanvraag in voor een WAO-uitkering, opnieuw stellende dat hij ziek was en niet kon werken. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees deze aanvraag af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat hij geen nieuwe feiten had aangevoerd en medische informatie die hij in beroep overlegde te laat was ingediend en niet relevant was voor de verzekeringsperiode.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de herhaalde aanvraag een herhaling was van de eerdere aanvraag en dat het Uwv terecht het besluit van 2006 handhaafde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van de herhaalde WAO-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

17.1119 WAO

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 januari 2017, 16/5235 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 31 januari 2019
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft op 10 maart 2005 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Bij besluit van 15 september 2006 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Aan dit besluit lag ten grondslag dat niet is gebleken dat appellant gedurende een verzekerde periode arbeidsongeschikt is geworden.
1.2.
In zijn uitspraak van 8 juni 2012 (ECLI:NL:2012:BW7851) heeft de Raad geoordeeld dat
appellant ten tijde van zijn ziekmelding in 1997 niet meer verzekerd was voor de WAO. Het laatste dienstverband van appellant was geëindigd op 22 maart 1996 en ook aan de nawerking als bedoeld in artikel 17 van Pro de WAO kon appellant in 1997 geen aanspraken meer ontlenen. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een verzekerde periode ziek is geworden.
1.3.
Op 4 april 2016 heeft appellant een (herhaalde) aanvraag voor een WAO-uitkering
gedaan. Hij heeft opnieuw gesteld dat hij ziek is en niet kan werken.
1.4.
Bij besluit van 14 april 2016 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat geen
aanleiding wordt gezien om terug te komen van de beslissing van 15 september 2006, omdat appellant geen nieuwe feiten heeft gesteld.
1.5.
Bij besluit van 19 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 14 april 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Hij heeft volstaan met de mededeling dat hij ziek is en niet kon werken. Het Uwv hoefde noch voor het verleden noch voor de toekomst terug te komen van het besluit van 15 september 2006. Ten aanzien van de in beroep ingebrachte medische informatie heeft de rechtbank geoordeeld dat deze buiten beschouwing wordt gelaten omdat deze niet uiterlijk in de bezwaarfase is overgelegd en het Uwv deze informatie niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij ziek is. Hij heeft verzocht zijn
WAO-aanvraag opnieuw te beoordelen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De aanvraag van appellant van 4 april 2016 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 15 september 2006 heeft beslist. Het Uwv heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is
(zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 8 juni 2012 overwogen dat appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een verzekerde periode ziek is geworden. Bij zijn herhaalde aanvraag van 4 april 2016 heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. In hoger beroep heeft appellant nog wel (Franstalige) medische informatie ingebracht, waaronder een radiologieverslag van 12 januari 2017 en een recept van 22 februari 2017. Deze informatie is echter in een te laat stadium ingebracht, maar bevat overigens ook geen nieuwe gegevens over de periode waarin appellant verzekerd was voor de WAO.
4.3.
Het Uwv heeft de aanvraag van appellant van 4 april 2016 terecht afgewezen met een verwijzing naar zijn besluit van 15 september 2006. In wat appellant heeft aangevoerd wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.
4.4.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
31 januari 2019.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) R.P.W. Jongbloed
md