ECLI:NL:CRVB:2019:3628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzame band met Nederland op 18e verjaardag
Appellante, geboren in Nederland in 1952, verhuisde als kind met haar ouders naar Zimbabwe en later naar Zuid-Afrika, waar zij op haar zeventiende verjaardag verbleef. Pas in 1987 keerde zij terug naar Nederland. Zij vroeg in 2008 en opnieuw in 2015 een Wajong-uitkering aan, welke beide keren werden afgewezen omdat zij op haar achttiende verjaardag niet in Nederland woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellante aan dat zij door haar Nederlandse nationaliteit en familiebezoek een duurzame band met Nederland had. Tevens werd een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 1a:11, vierde lid, Wajong 2015 en het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4 Awb Pro.
De Raad oordeelde dat volgens vaste rechtspraak het middelpunt van het maatschappelijke leven niet doorslaggevend is, maar dat een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is. Gezien de feiten was die band op de zeventiende verjaardag van appellante niet aanwezig. De hardheidsclausule was niet toepasbaar omdat het eerste lid niet was ingeroepen en het evenredigheidsbeginsel bood geen grond om af te wijken van de wettelijke bepalingen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van de Wajong-uitkering wordt afgewezen omdat appellante op haar achttiende verjaardag niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd.