ECLI:NL:CRVB:2019:3627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant ontving sinds 8 mei 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling stelde een arts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2016. Op basis hiervan berekende een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid en concludeerde dat appellant vanaf 19 januari 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna het UWV de WIA-uitkering beëindigde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling de klachten van appellant voldoende had betrokken en dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld. De rechtbank nam mee dat niet alle klachten objectief konden worden verklaard vanuit ziekte of gebrek en dat sommige behandelingen en klachten dateren van na de datum in geding.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met verwijzing naar verergerde rugklachten, een peesverkorting en ineffectieve behandelingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe medische gegevens betrekking hadden op een periode na de datum in geding en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd medisch passend waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 19 januari 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.