ECLI:NL:CRVB:2019:3621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsongeschiktheidspercentage WIA na medische beoordeling
Appellant was voorman timmerafdeling en meldde zich in 2012 ziek met whiplashklachten en hielspoor. Het UWV kende hem in 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid. In 2016 stelde het UWV vast dat appellant meer arbeidsgeschikt was, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,08%, waartegen appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij verzekeringsartsen en medische informatie van huisarts, neuroloog en revalidatiearts werden betrokken. Er was geen reden om het medisch oordeel te betwijfelen of een medisch deskundige te benoemen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn situatie verslechterd was en dat het onderzoek slechts een momentopname betrof, ondersteund door verklaringen van zijn vriendin. De Raad stelde vast dat er geen medische onderbouwing was voor verslechtering en dat appellant niet onder behandeling was. De FML van 18 juli 2016 werd als juist beoordeeld.
De Raad verklaarde de onbevoegdheid van de rechtbank Noord-Holland voor gedekt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen reden gezien om het arbeidsongeschiktheidspercentage te wijzigen en het verzoek tot benoeming van een medisch deskundige werd afgewezen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 6 november 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,08% wordt bevestigd.