ECLI:NL:CRVB:2019:3590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep op loongerelateerde WGA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig datatypiste, heeft een loongerelateerde WGA-uitkering aangevraagd na beëindiging van haar dienstverband en ziekmelding in 2012. Het UWV wees haar aanvraag aanvankelijk af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar na bezwaar werd zij ingedeeld in de klasse 35-80% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als uitgangspunt werd genomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door longklachten, knieafwijking en vooral gehoorproblemen onvoldoende waren meegenomen. De Raad benoemde twee deskundigen: een KNO-arts die een symmetrisch binnenoorverlies en hyperacusis vaststelde, en een arbeidsdeskundige die de geschiktheid van functies beoordeelde. De aangepaste FML hield rekening met een stille werkomgeving en één-op-één gesprekken.
De Raad concludeerde dat de deskundigen zorgvuldig en consistent hadden gerapporteerd en dat het UWV met de aangepaste FML volledig tegemoet was gekomen aan het medisch oordeel. Hoewel appellante bezwaar maakte tegen het gebruik van gehoorbescherming, achtte de Raad het redelijk dat zij deze draagt bij bepaalde functies, mede omdat de functies beperkte uren omvatten en geen intensief contact met collega’s vereisen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad vond dat de beperkingen adequaat waren beoordeeld en dat de arbeidsongeschiktheidsclassificatie rechtvaardig was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de loongerelateerde WGA-uitkering met arbeidsongeschiktheid 35-80% wordt bevestigd.