ECLI:NL:CRVB:2019:3584
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met rug- en knieklachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend voor haar belastbaarheid.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten onvoldoende waren onderkend en dat zij de geselecteerde functies niet kon verrichten. Zij overlegde aanvullende medische stukken. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de aanvullende stukken geen aanleiding gaven tot een andere beoordeling. Ook werd geoordeeld dat de psychische klachten voldoende waren meegenomen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor zij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.