ECLI:NL:CRVB:2019:3573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, sinds 2005 arbeidsongeschikt als magazijnmedewerker, ontving een WIA-uitkering die in 2016 werd herbeoordeeld. Uit medisch onderzoek door verzekeringsartsen en een psychiater bleek dat haar beperkingen licht waren en dat zij geschikt was voor haar eigen werk en geselecteerde voorbeeldfuncties.
Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 22 januari 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar en bracht medische en arbeidskundige gronden aan, waaronder psychische klachten en fysieke beperkingen, maar deze werden door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen niet onderbouwd met objectief bewijs.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste weergave van de belastbaarheid van appellante. Er was geen aanleiding om het standpunt van het UWV te verwerpen dat appellante geschikt is voor haar werk en de voorbeeldfuncties.
De Raad wees ook op het ontbreken van structurele onderliggende ziektebeelden en concludeerde dat de klachten tijdelijk waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.