ECLI:NL:CRVB:2019:3571

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2019
Publicatiedatum
13 november 2019
Zaaknummer
17/7796 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant was sinds 2006 ziek gemeld met rug- en knieklachten en ontving vanaf 2008 een WGA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV het besluit herzag en de uitkering beëindigde per 9 mei 2017 op basis van nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, met name ten aanzien van knielen, hurken, buigen en zitten, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek wel degelijk zorgvuldig was, ondanks een ongelukkige opmerking van de verzekeringsarts. De aanvullende medische informatie bracht geen aanleiding tot meer beperkingen. De arbeidsdeskundige had de functies passend gemotiveerd. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

17.7796 WIA

Datum uitspraak: 6 november 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2017, 17/2230 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.A.F.C. Tack, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tack. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor ongeveer 19 uur per week. Op 6 november 2006 heeft hij zich ziek gemeld met rug- en knieklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 november 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 10 mei 2010 had appellant recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling heeft appellant op 20 september 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 september 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant 0,53% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 25 oktober 2016 de
WIA-uitkering van appellant met ingang van 26 december 2016 beëindigd, omdat hij met ingang van 26 oktober 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het besluit van 25 oktober 2016 wordt herzien in die zin dat appellant vanaf 26 oktober 2016 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en vanaf 2 maart 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Met het bestreden besluit wordt de WIA-uitkering vanaf 9 mei 2017 beëindigd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 23 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 2 maart 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft drie van de vier eerder geselecteerde functies ongeschikt geacht voor appellant. De arbeidsdeskundige heeft twee nieuwe functies geselecteerd. Appellant wordt op basis van deze functies vanaf 2 maart 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig of onvolledig is geweest. Alle door appellant naar voren gebrachte klachten, de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen en de in het dossier aanwezige medische informatie zijn op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling betrokken. Evenmin bestaat aanleiding voor twijfel over het medisch oordeel. De belastbaarheid van appellant op de datum in geding is volgens de rechtbank in de medische rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Appellant heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is niet onderbouwd met medische informatie. De enkele stelling dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts niet juist is, is onvoldoende om dit aan te nemen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellant in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid zoals verwoord in de FML.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsartsen zijn medische problematiek onvoldoende serieus hebben genomen. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt volgens appellant niet dat zij onderzoek hebben verricht naar knielen en hurken. Verder hadden beperkingen moeten worden aangenomen voor buigen en zitten. Uit het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte lichamelijk onderzoek blijkt dat hij daar moeite mee heeft. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat het gebruik van een korset door appellant leidt tot spierverval door conditieverlies, wat weer tot een toename van klachten leidt, betekent volgens appellant dat deze de toename van de klachten erkent. Hier zijn echter geen extra beperkingen voor aangenomen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat hij de geselecteerde functies door zijn beperkingen niet kan uitvoeren. Appellant heeft medische informatie in het geding gebracht om zijn standpunt te onderbouwen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft dit standpunt onderbouwd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2018.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden de
WIA-uitkering van appellant met ingang van 9 mei 2017 heeft beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant “met veel bombarie” een gevraagde beweging uitvoert, is, zoals het Uwv ter zitting van de Raad ook heeft erkend, ongelukkig te noemen en had beter achterwege kunnen blijven. Daarmee is evenwel niet gezegd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De stellingen van appellant over het ontbreken van lichamelijk onderzoek, specifiek gericht op knielen en hurken, kunnen dit laatste niet anders maken, wat er overigens ook zij van de feitelijke juistheid van die stellingen. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij de grond kan raken maar dat hij deze beweging niet langdurig kan uitoefenen. In lijn daarmee is appellant beperkt geacht op geknield of gehurkt actief zijn. Niet valt niet in te zien dat meer onderzoek op dat punt van toegevoegde waarde had kunnen zijn. Ook ter zake van buigen en zitten zijn beperkingen aangenomen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel wordt eveneens gevolgd. Wat betreft de in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van
31 oktober 2018 voldoende gemotiveerd dat deze gegevens niet kunnen leiden tot het aannemen van meer beperkingen. Uit de medische informatie blijkt niet dat appellant rond de datum in geding voor zijn klachten een arts heeft bezocht. Zoals opgemerkt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, blijkt uit de informatie van de orthopedisch chirurg dat de situatie op 25 januari 2018 niet wezenlijk verschilde van die op 14 december 2015. De orthopedisch chirurg heeft bij lichamelijk onderzoek geen relevante afwijkingen gevonden.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 20 september 2016 en gelet op de toelichting op de signaleringen die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 2 maart 2017 heeft gegeven, heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellant in medisch opzicht passend zijn te achten.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RB