ECLI:NL:CRVB:2019:3559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig straatveger, meldde zich ziek na een fractuur in zijn linker onderbeen en vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en verlengde de uitkering tot 12 februari 2016.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, onder meer omdat geen informatie bij de behandelend sector was opgevraagd en zijn klachten onvoldoende waren meegewogen. Het UWV handhaafde haar standpunt en voerde aan dat de verzekeringsarts zorgvuldig had gehandeld en dat de beperkingen correct waren vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling. De beperkingen en klachten van appellant waren adequaat meegenomen in de beoordeling. Ook de latere toekenning van een IVA-uitkering deed niet af aan de juistheid van het bestreden besluit. Hoewel het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd was volgens artikel 7:12 Awb Pro, was er geen nadeel voor appellant en werd het besluit in stand gelaten.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering van appellant heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.