Appellant, die in december 2015 arbeidsongeschikt werd, vroeg in maart 2016 bijstand aan. Het college kende bijstand toe in de vorm van een geldlening, omdat verwacht werd dat appellant inkomsten zou ontvangen uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Toen deze uitkering met terugwerkende kracht werd toegekend, trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat de uitkering geen inkomen maar vermogen betreft, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2008. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de uitkering als inkomen moet worden aangemerkt omdat deze bedoeld is ter compensatie van verlies aan arbeidsvermogen en vergelijkbaar is met een sociale zekerheidsuitkering.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. Het college handhaaft de intrekking niet en wordt veroordeeld in de proceskosten. De terugvordering blijft wel gehandhaafd omdat de uitkering als inkomen geldt.