ECLI:NL:CRVB:2019:3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV verlengde aanvankelijk het recht op ziekengeld, maar stelde later vast dat appellante haar eigen werk kon verrichten en beëindigde het recht op ziekengeld per 4 oktober 2016. Appellante meldde zich opnieuw ziek, maar medisch onderzoek toonde geen wezenlijke verslechtering. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van ziekengeld ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundigen voldoende hadden gemotiveerd waarom appellante haar werk kon verrichten. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar psychische klachten en medicatie haar arbeidsvermogen beperkten.
De Raad stelde vast dat het recht op ziekengeld alleen geldt bij ongeschiktheid tot het verrichten van de laatstelijk verrichte arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Uit de medische rapporten bleek dat appellante geen zodanige beperkingen had op de datum in geschil. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld bevestigd.