Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3424

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
31 oktober 2019
Zaaknummer
19-67 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kwijtschelding bijzondere bijstand in de vorm van lening

Appellante ontvangt sinds 2014 bijstand en kreeg in 2017 bijzondere bijstand toegekend voor stofferings- en inrichtingskosten, deels als lening. Tegen dit toekenningsbesluit heeft zij geen bezwaar gemaakt. In 2018 heeft het college ambtshalve een gedeeltelijke kwijtschelding van de lening verleend, maar een verzoek tot volledige kwijtschelding werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond omdat de rechtmatigheid van het oorspronkelijke toekenningsbesluit niet ter discussie stond. Appellante stelde in hoger beroep dat het toekenningsbesluit onjuist was en dat dit alsnog beoordeeld moest worden, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Raad.

De Centrale Raad oordeelt dat in een procedure tegen een kwijtscheldingsbesluit de rechtmatigheid van het oorspronkelijke toekenningsbesluit niet kan worden getoetst als daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. De aangehaalde uitspraak biedt hiervoor geen grond. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van volledige kwijtschelding wordt bevestigd.

Uitspraak

19.67 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2018, 18/2959 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 29 oktober 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Tevens is verschenen als tolk J.E. Hijnd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 24 april 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Bij besluit van 19 oktober 2017 (toekenningsbesluit) heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten toegekend tot een bedrag van € 3.244,-. De bijzondere bijstand is toegekend in de vorm van een lening tot een bedrag van € 2.607,- en voor het overige om niet. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 16 maart 2018 heeft het college, als gevolg van het door de gemeenteraad van Rotterdam gesloten Zomerakkoord, met als doel de schuldenlast van bijstandsgerechtigden terug te dringen, ambtshalve 15% van de restantvordering kwijtgescholden.
1.4.
Bij besluit van 1 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2018 ongegrond verklaard, aangezien geen grondslag bestaat voor volledige kwijtschelding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de beroepsgronden van appellante die zijn gericht tegen het besluit tot de toekenning van de bijzondere bijstand in de vorm van een lening geen bespreking behoeven, omdat appellante daar destijds geen rechtsmiddelen tegen heeft aangewend.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het besluit waarmee de bijzondere bijstand in de vorm van een lening is verstrekt onjuist is. De bijzondere bijstand had volgens appellante niet in de vorm van een lening verstrekt mogen worden. Dat appellante tegen het toekenningsbesluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend neemt volgens appellante niet weg dat de bestuursrechter zich daarover alsnog een oordeel kan vormen in de procedure tegen het besluit tot kwijtschelding. Appellante heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Een kwijtscheldingbesluit betreft het besluit van verdere invordering van af te zien. Met haar beroepsgrond beoogt appellante de rechtmatigheid van het toekenningsbesluit van leenbijstand ter discussie te stellen. De rechtmatigheid van dat besluit ligt in deze procedure tegen het ambtshalve genomen kwijtscheldingsbesluit, anders dan appellante betoogt, niet ter toetsing voor. Appellante heeft tegen het besluit van 19 oktober 2017 immers geen rechtsmiddelen aangewend. Zij heeft ook niet om herziening daarvan verzocht. De door appellante aangehaalde uitspraak kan haar hier niet baten, omdat die juist ziet op herziening van het oorspronkelijke besluit, en niet op toetsing daarvan op de wijze die appellante in dit geval voorstaat. De beroepsgrond van appellante treft daarom geen doel.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2019.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) M. Buur