ECLI:NL:CRVB:2019:3403
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beperking reisgenoten AOV maatwerkvoorziening
Appellante heeft een maatwerkvoorziening Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) ontvangen in de vorm van Deur tot deur Samenreizend vervoer, waarbij zij slechts één reisgenoot mag meenemen omdat er geen kinderen jonger dan 12 jaar meer in het gezin zijn.
Zij heeft hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, stellende dat het voor haar belangrijk is om met haar gezin enkele malen per jaar samen te reizen. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat het belang niet zodanig spoedeisend is dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Het feit dat de drie jongste kinderen inmiddels zelfstandig kunnen reizen en het gebruik van het AOV beperkt is tot hooguit zeven keer per jaar, leidt tot de conclusie dat de voorlopige voorziening niet wordt toegekend.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.