ECLI:NL:CRVB:2019:3398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstandsuitkering wegens ontbreken woonlasten niet onterecht
De zaak betreft een beroep van appellant tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht waarin een korting op de bijstandsuitkering is toegepast wegens het ontbreken van woonlasten. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het college het bestreden besluit heeft ingetrokken en een nieuw besluit heeft genomen.
Appellant stelde dat hij een kamer huurt van zijn broer en daarvoor huur betaalt, onder meer met een betalingsregeling vanwege achterstallige huur. Ter onderbouwing overlegde hij een oud huurcontract, verklaringen en een bankafschrift van een betaling in november 2016. De Raad oordeelt echter dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen voor betaling van huur over augustus 2016, de maand waarop de korting betrekking heeft.
De Raad concludeert dat appellant in augustus 2016 geen woonlasten had die de korting op de bijstand rechtvaardigen. Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van de bijstand wegens ontbreken woonlasten wordt ongegrond verklaard.