ECLI:NL:CRVB:2019:3388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig caféhoudster, meldde zich in 2006 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na toekenning van een WIA-uitkering in 2008, meldde zij in 2014 een verslechtering van haar gezondheid. Het UWV beëindigde in 2015 haar uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank, die het UWV in het gelijk stelde.
In hoger beroep stelde appellante dat zij meer beperkingen had dan het UWV had vastgesteld, onderbouwd met medische verklaringen. De Centrale Raad van Beroep liet een onafhankelijke deskundige een aanvullend onderzoek uitvoeren. Deze concludeerde dat appellante weliswaar beperkingen heeft, maar dat deze geen grond vormen voor een urenbeperking in passende arbeid.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent is en dat de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van mei 2019 juist is. De geselecteerde functies voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid zijn medisch geschikt. Daarom is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 35%, en is de beëindiging van de WIA-uitkering gerechtvaardigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.