ECLI:NL:CRVB:2019:3363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onbekende middelen
Appellant ontving bijstand vanaf april 2012 en was medehuurder van een bedrijfspand van april 2014 tot mei 2015. Het college trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug omdat appellant zijn inlichtingenplicht zou hebben geschonden door het niet melden van de huur en de financiële middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. Uit onderzoek bleek dat appellant de huur van het bedrijfspand contant betaalde, wat niet werd gemeld aan het college. De maandelijkse vaste lasten waren hoger dan de bijstandsnorm, wat de vooronderstelling van onbekende middelen rechtvaardigt.
Appellant kon onvoldoende aantonen dat de huurbetalingen door een ander werden gedaan. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De Raad oordeelt dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en het beschikken over onbekende middelen.