ECLI:NL:CRVB:2019:3318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens niet-noodzakelijke verhuizing
Appellant heeft begin augustus 2017 een nieuwe woning betrokken na terugkeer uit Marokko, waarbij hij de huur van zijn vorige woning had opgezegd en zijn inboedel achterliet. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de eerste huur en de inrichting van de nieuwe woning. Het college wees deze aanvragen af omdat de verhuizing niet als noodzakelijk werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stond alleen de vraag centraal of de kosten noodzakelijk waren in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. Appellant stelde dat het een gedwongen, noodzakelijke verhuizing betrof, maar kon dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij genoodzaakt was de vorige huur op te zeggen en dat de verhuizing niet als noodzakelijk kon worden aangemerkt. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat de verhuizing niet noodzakelijk is.