ECLI:NL:CRVB:2019:3278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhaving ontslag ambtenaar
Verzoeker was sinds 2007 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en kreeg in 2016 onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim. De rechtbank Noord-Holland vernietigde het bezwaarbesluit van de minister en oordeelde dat het ontslag niet evenredig was. De minister nam daarop een nieuw besluit waarin het ontslag opnieuw werd gehandhaafd met een uitgebreidere motivering.
Verzoeker stelde spoedeisend belang te hebben bij het vernietigen van dit nader besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij motiveerde dit met zijn betere positie op de arbeidsmarkt en recht op achterstallig loon indien het ontslag niet wordt gehandhaafd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen onverwijlde spoed was, mede omdat verzoeker inmiddels bij een andere werkgever werkzaam is en niet wenst terug te keren naar zijn oude functie. Ook het streven om later terug te keren naar de Rijksoverheid bood geen spoedeisend belang. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door C.H. Bangma, in aanwezigheid van griffier A.A.H. Ibrahim, op 14 oktober 2019.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het handhaven van het disciplinaire ontslag is afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.