Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen beslissingen van het UWV inzake haar aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Na intrekking van een deel van het hoger beroep en een nadere beslissing van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, heeft appellante alsnog een verzoek gedaan tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelt dat het UWV met het besluit van 27 augustus 2018 volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen omdat de totale procedure meer dan zes jaar heeft geduurd, terwijl de redelijke termijn in beginsel maximaal vier jaar bedraagt. De Raad verdeelt de schadevergoeding tussen het UWV en de Staat, waarbij het UWV een deel van de immateriële schade en de wettelijke rente moet vergoeden.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken gedurende de bezwaar- en beroepsprocedures. Het UWV moet tevens het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 januari 2019.