ECLI:NL:CRVB:2019:326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant viel in mei 2011 uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde in september 2013 vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op uitkering bestond. Na bezwaar en beroep werden beperkingen vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van september 2014, maar zonder arbeidsduurbeperking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er meer beperkingen waren, waaronder een arbeidsduurbeperking, en vroeg om een onafhankelijke deskundige. De Raad benoemde een psychiater die concludeerde dat de beperkingen zoals vastgesteld in 2014 juist waren en dat er geen aanwijzingen waren voor een arbeidsduurbeperking of energetische beperking. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde de afwijzing van de WIA-uitkering.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. De Raad stelde vast dat de totale procedure bijna 63 maanden duurde, terwijl maximaal 48 maanden redelijk was. De Raad kende daarom een schadevergoeding van €1.500 toe en veroordeelde de Staat in proceskosten van €256. Het verzoek om andere schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De WIA-uitkering wordt terecht geweigerd en er wordt een schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.