ECLI:NL:CRVB:2019:3236
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding verhuis- en herinrichtingskosten wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante, een vervolgde en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten om te verhuizen naar een seniorenappartement met voorzieningen. Dit verzoek werd in eerste instantie afgewezen omdat er geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid was vastgesteld.
Na een tweede verzoek, mede ingegeven door opname en overlijden van haar echtgenoot en haar wens te verhuizen naar een aanleunwoning van een instelling, werd het verzoek opnieuw afgewezen. De Raad baseerde zich op adviezen van geneeskundig adviseurs die concludeerden dat er geen medische noodzaak was voor de verhuizing in verband met de causale psychische klachten van appellante.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens en adviezen de afwijzing rechtvaardigen. De psychische klachten waren vooral gerelateerd aan mantelzorg en het overlijden van haar echtgenoot, maar vormden geen grond voor medische noodzaak van verhuizing. Ook de huisartsverklaring werd onvoldoende onderbouwd geacht. Er waren geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van het beleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.