ECLI:NL:CRVB:2019:3229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden
In deze zaak staat de toekenning van bijstand centraal. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft bijstand toegekend vanaf 3 oktober 2017, de datum waarop appellant zich officieel heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Appellant vordert echter dat de bijstand wordt toegekend vanaf 14 juni 2017, een eerdere datum.
De rechtbank heeft geoordeeld dat in principe geen recht bestaat op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant stelt dat hij zich al op 14 juni 2017 had gemeld, maar deze stelling is niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.
Daarnaast is gesteld dat een eerdere aanvraag buiten behandeling is gesteld en dat appellant telefonisch is geïnformeerd dat bezwaar maken of een nieuwe aanvraag indienen geen zin zou hebben. De Raad oordeelt dat deze mededelingen niet aantonen dat appellant is belemmerd in het indienen van bezwaar of een nieuwe aanvraag. Bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht zijn niet gebleken.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.